Reisblog 7 – Kroatië – Krk

We deden het Kroatische Krk vooral aan vanwege de grote hoeveelheid reptielen waar het eiland onder liefhebbers om bekend staat. Het logische gevolg was dus dat onze dagen daar in het teken van deze prachtige beestjes stonden.

Op 5 april vereerden we de Oprna Bay met een bezoekje. In de vallei erachter zou de luipaardslang voor moeten komen, één van de doelsoorten van ons bezoekje. We parkeerden de auto bovenaan een steile rotshelling, waar we eerst een stukje moesten klauteren voor er vanuit het niets een pad richting het strand verscheen. Maar hierdoor lieten we ons slechts een beetje leiden. We liepen soms links en soms weer rechts van het pad, scherp alle stapelmuurtjes en het grasland afspeurend en elke paar meter een steen omdraaiend om te kijken wat eronder zat.

Het zoeken leverde al snel een nieuwe soort op, die overigens behoorlijk leek op twee andere hagedissensoorten die we al eerder zagen. Na de westelijke en de oostelijke zagen we nu ook de balkansmaragdhagedis, ook wel de reuzensmaragdhagedis genoemd. En ja, deze flinke groene jongen was inderdaad nog een slag groter dan de smaragdhagedissen die we eerder zagen. Vergeleken met de Nederlandse hagedissen een heuse draak! Naast de groene joekels zagen we ook kleine gestreepte hagedisjes: de jongen van vorig jaar.

Balkansmaragdhagedis, man

Maar we vermaakten ons zeker niet alleen met de hagedissen. Overal om ons heen kwamen vogelgeluiden van de kale rotshellingen en uit het dichte struikgewas in het midden van het dal. Geluiden die ik in eerste instantie niet herkende, maar die in de loop van de dag duidelijk werden. De eerste zang had veel van die van de merel weg, maar kwam van de kale rotsen vandaan. Wat speurwerk leverde een naam van de vogel op: het bleken blauwe rotslijsters te zijn. Op meerdere plaatsen zaten ze, af en toe vlogen ze wat heen en weer. Datzelfde speurwerk langs de rotsen leverde ook een oostelijke blonde tapuit op, een typische soort voor het landschap.

Blauwe rotslijster
Oostelijke blonde tapuit, man

Ook vlinders waren er al in de felle lentezon. Een paar keer vloog er een koningspage voorbij en beneden in het dal zag ik een bruin dikkopje. Op de kale hellingen zagen we ook nog een mooi blauwtje: het oostelijk tijmblauwtje.

Bruin dikkopje

De mooiste waarneming van de dag kwam wederom niet uit de hoek van de reptielen. In het dichte struikgewas ontdekte ik het vogeltje van weer een ander geluidje dat we al de hele dag hoorden. Diep verborgen zat er een balkanbaardgrasmus te zingen. De soort kende ik nog van een dwaalgast die in Wageningen opdook een paar jaar geleden, maar nu zagen we hem op de plek waar hij hoorde: in het dichte mediterrane struikgewas. Uit ervaring wist ik dat dit een geduldklusje zou gaan worden. De vogel zit het liefst diep weggedoken en laat zich nauwelijks zien. Maar ik wist ook dat het dier waarschijnlijk niet schuw was en ook af en toe naar de buitenkant van de struik zou hippen. Ik bleef zo’n twintig minuten staan en kijken, camera in de aanslag. De vogel at wat van de bloemknoppen of beestjes die erin zaten en kwetterde tussendoor een liedje. En inderdaad kwam de vogel af en toe voorbij het takje pal voor mijn neus hippen, waar ik amper drie meter voor stond. Ik stond op de voorste rij te wachten! Na die twintig minuten had ik het vogeltje prachtig geobserveerd en een aantal leuke plaatjes geschoten. Toen hield de baardgrasmus het voor gezien en vloog naar een paar struiken verderop. Teken voor mij om verder te gaan.

Qua reptielen leverde de vallei van Oprna Bay slechts een stuk of twintig balkansmaragdhagedissen op. Van slangen geen spoor. We besloten verder te gaan naar een ander gebied, waar we nog een tijdje over een beboste helling klauterden. Reptielen zagen we wederom niet, maar wel kwamen er drie vale gieren prachtig boven ons cirkelen. Ze vlogen niet eens zo heel hoog en bleven bovendien langdurig rondhangen. Een erg mooi alternatief!

Zuidelijke pijpbloemvlinder

Aan het eind van de dag vonden we toch nog reptielensoort nummer twee: de karsthagedids bleek gewoon op de camping te zitten.

De karsthagedis op de camping.

Op 6 april gingen we naar het Jezero Ponikve, een groot meer in het midden van het eiland. Het leefgebied is ideaal voor de vierstreepslang, die er veelvuldig voorkomt.

In eerste instantie moesten we het vooral met ruïnehagedissen doen. Die schoten letterlijk overal voor ons aan de kant, we zagen er verspreid over de dag vele honderden. Toch kostte het veel moeite om andere soorten te vinden. Tijdens het stenen keren stuitten we wel op een boomkikker. Ook heel leuk! In datzelfde hoekje vonden we ook nog een speciale hagedis: de blauwkeelkielhagedis. Een blauwe keel had het beestje overigens niet.

Blauwkeelkielhagedis

Bij een klein poeltje vonden we nog wat leuks. Ik keerde wat stenen op zoek naar amfibieën, en keek daarbij over een vogeltje met een fantastische schutkleur heen. Hendrike keek geobsedeerd naar een dor blaadje dat wapperde in de wind, en daarbij viel haar blik precies op het dier. Het bokje bleef roerloos zitten in de hoop dat zijn schutkleur hem zou beschermen, zelfs toen we van dichtbij recht naar hem keken. Na een aantal foto’s van dichtbij met mijn telelens was ik zelfs zo brutaal om mijn lens te wisselen voor een macrolens. Ook dat vond het beestje goed, waardoor ik van minder dan een meter afstand kopportretjes kon schieten. Na een tijdje vond het dier het toch genoeg geweest en hij vloog op, maar streek amper tien meter verder gelijk weer neer. We hebben hem verder met rust gelaten.

En toen zagen we ook eindelijk de slangen. Bij een compleet overwoekerde ruïne keken we extra uitgebreid rond en dat was de moeite waard. Bij een hoekje was het wederom Hendrike die goed speurwerk deed: zij ontdekte maar liefst twee geelgroene toornslangen. Eentje schoot heel snel weg in de muur van de ruïne, de andere had iets langer nodig om weg te kruipen. Daardoor zagen we goed waar hij verdween. Een paar minuten later keken we weer en zagen we hem gewoon weer buiten zonnen. Kylian liep wat achter en had hem nog niet goed gezien, dus keerde ik de steen om waar het dier onder wegkroop. Daar zagen we hem prachtig opgerold liggen, waarna hij wederom in de muur verdween. Nog één keertje keek ik van een afstandje, waardoor ik met mijn telelens wat mooie foto’s van het gitzwarte dier kon maken terwijl hij in een voeg lag te zonnen.

In een ander hoekje van de ruïne vond ik nog een geelgroene toornslang, een iets jonger en bruiner exemplaar. Deze lag tussen de bramentakken te zonnen.

De iets lichter gekleurde en jongere geelgroene toornslang.

Op de terugweg kwamen we weer langs het meer. Hier keken we wederom uitgebreid rond omdat dit toch echt een van de beste stukken voor reptielen moest zijn. En ja, wederom onderaan de muur van een ruïne vond ik nog een jonge balkantoornslang. Ik zag hem slechts kort, maar wel een nieuwe soort!

Het zeer jonge toornslangetje: waarschijnlijk een balkantoornslang.
Tijdens het stenen keren kwamen we ook deze enorme krekel tegen: de veenmol! Met zijn krachtige poten kan hij op behoorlijke snelheid door de natte bodem graven.

We sloten de dag af met nog twee boomkikkers, waarvan er eentje in een wel hele gemene prikstruik klom. Dat ze dat kunnen met hun tere huid!

We sloten ons bezoek aan Krk af op 7 april, door een schiereilandje vlakbij de brug naar het vasteland te verkennen. Hier was een oud industrieterreintje met veel troep waar reptielen graag onder schuilen.

Maar voor de reptielen moesten we nog even wachten. Vanaf de toegangsweg over de klif keek ik één moment opzij naar de baai en ontdekte een rugvin. Dolfijnen! Nadat we even van boven gekeken hadden volgde een wilde rit naar beneden over de steeds slechter wordende weg. Op het schiereiland reden we snel naar de baai, tot we niet meer verder konden. De tuimelaars hingen nog wat rond, maar leken ook meer naar de uitgang van de baai te zwemmen. Twee dieren zwommen mooi parallel aan de kust, maar ook met een stevig tempo. We moesten een paar honderd meter sprinten om weer bij te komen, waarna ze prachtig dichtbij langszwommen. Onze dag kon niet meer stuk!

Voor reptielen zoeken was het eigenlijk te koud. De zon kwam er nauwelijks aan te pas. Daarom keerden we alles aan planken en dergelijke om wat los en vast zat om te kijken wat eronder zat. Dat leverde een paar balkansmaragdhagedissen, een groene pad en twee hazelwormen op. Na een eerste rondje gingen we lunchen en toen brak de zon eindelijk door. We liepen daarna nog een rondje, maar heel veel meer waarnemingen leverde het niet op.

Balkansmaragdhagedis, man
Cirlgors, man

Inmiddels hebben we een stuk langs de kust gereden en daarna oostwaarts richting Bosnië en Herzegovina. Net voor de grens ligt het Nationaal Park Plitvice met prachtige meren en watervallen. Ik ben heel benieuwd!

6 Reacties op “Reisblog 7 – Kroatië – Krk”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: