Zoals bijna verplicht als natuurliefhebber ga ik graag naar Zuid-Limburg. Geografisch gezien hoort het eigenlijk niet bij Nederland en dat brengt heel bijzondere planten- en diersoorten met zich mee. Met het buitenlandsachtige landschap geeft dat een optimaal vakantiegevoel.
Zuid-Limburg is natuurlijk erg ver weg en voor mij zelden op de route, maar vorig weekend dacht: kom, doe eens gek. Ik heb studenten-OV en kan in het weekend gratis reizen. Alleen het kaartje voor mijn fiets die ik meenam in de trein was voor mijn eigen rekening. Op een prachtige zomerse dag heb ik genoten van een erg efficiënt dagje scoren.
Mijn dag begon al vroeg. Ik vertrok om half zeven van huis om de eerste trein naar het zuiden te nemen. Om half tien kwam ik aan in Maastricht. En geen bezoek aan Maastricht zonder muurhagedissen voor mij, dus bracht ik eerst een bezoek aan de Hoge Fronten, waar dit zeldzame hagedisje het uiterste noorden van zijn verspreidingsgebied bereikt. Het was winderig maar zonnig. Ik vond de score daardoor wat tegenvallen, maar ze waren er wel. De meeste goed verscholen achter de vegetatie die tegen de muur aan stond.


Verder zag ik de dwerglangsprietmot, een piepklein nachtvlindertje met lange sprieten. Ook deze soort is vrij zeldzaam, al ontdekte ik hem toevallig een paar dagen eerder al op de Campus in Wageningen. Ik had dus al enige ervaring met het vinden van zo’n klein beestje. De enige juffer die ik tegenkwam was een gaffelwaterjuffer, die ik bij mij in de regio ook (nog) niet veel tegenkom. Ook de argusvlinders waren gelukkig nog present bij de muren en in een poeltje zag ik larven van de vroedmeesterpad.



Na een uurtje was ik uitgekeken in het kleine gebied en was het tijd voor deel twee van mijn dagje uit: de Sint Pietersberg ten zuiden van Maastricht. Dit is hét gebied om insecten te kijken, omdat dit de plek is waar zeldzame soorten vanuit België ons land in waaien. Er zitten sowieso al veel soorten die in de rest van het land niet of nauwelijks voorkomen en er wordt regelmatig wat nieuws ontdekt. De tijd om nieuwe soorten te vinden had ik nu niet, maar ook voor een snel rondje is het gewoon een prachtig gebied. Dat begon eigenlijk al voor ik er was. Aan de rand zag ik al een bosrankvlindertje en toen ik de parkeerplaats bij de ENCI-groeve op fietste zag ik al de boswitjes, bruine dikkopjes en zuidelijke oeverlibellen vliegen.








Daarna maakte ik een rondje door het gebied, eerst over het zuidelijke deel en langs de Duivelsgrot. Ik vond het qua insecten eigenlijk wat tegenvallen, dat komt misschien door het late voorjaar. Maar in de randjes zaten genoeg roofvliegen en bladwespen en op de veldsalie vlogen zwarte sachembijen en langhoornbijen. Zo werd het toch nog wat, zeker toen ik ook een paar veldparelmoervlinders voorbij zag vliegen. Die hadden het flink op de heupen door het warme en zonnige weer en gingen niet zitten.




Daarna heb ik flink doorgelopen om het rondje af te maken. Sinds een aantal jaar kan je ook door de groeve heen lopen. Er is aan de noordoostkant een trap naar beneden gemaakt en vanaf daar loop je door de groeve terug naar de parkeerplaats bij D’n Observant. In de groeve heb ik me vooral vermaakt met de groene kikkers. Op basis van geluid wist ik dat het allemaal meerkikkers moesten zijn. Op basis van uiterlijk zijn ze niet echt op naam te brengen. In mijn omgeving zitten nauwelijks meerkikkers, dus ik vond het wel leuk om er even wat beter naar te kijken en luisteren. De meerkikker is de grootste van de drie groene kikkers in Nederland. Ze zijn enorm gespierd en springen met enorme sprongen het water in bij benadering. Als je ze hoort klinkt het alsof ze schateren van het lachen. De bastaardkikker en poelkikker snorren meer.





Het was inmiddels halverwege de middag en ik had nog meer gebieden in gedachten. Gezien de kwetsbaarheid van de gebieden en de soorten die er voorkomen kan ik helaas niet de namen van de gebieden hier noemen, hoewel ik iedereen een bezoekje zou willen aanraden.
Vanaf Maastricht nam ik eerst een stukje de trein, om vervolgens een lange en steile helling omhoog te trappen. In de groeve waar ik uitkwam zitten veel zeldzame vlinders en amfibieën. Twee vlindersoorten had ik al heel snel gezien: de veldparelmoervlinder en het dwergblauwtje. De vreugde van het dwergblauwtje duurde niet zo lang. Het was inmiddels wat bewolkter, waardoor de vlinders niet veel meer vlogen. En zie dan maar zo’n minivlindertje te vinden, het waren er ook nog niet veel. Ik zag er twee, maar beide was ik vrij snel kwijt en heb ik niet meer terug kunnen vinden. De veldparelmoervlinders lieten zich beter zien, met wat geduld. Ze vlogen nog redelijk wat rond, maar gingen ook meer zitten. Als er eentje dichtbij het pad kwam volgde ik die tot hij ging zitten. Dat leverde al snel een mooie foto met de vleugels open en later ding er eentje mooi bovenin een spriet zitten met de vleugels dicht. Dit was voor het eerst dat ik ze echt mooi kon bekijken. Even later vond ik ook nog een rups van een veldparelmoervlinder. Blijkbaar kan dat ook, een rups en een vlinder van dezelfde soort tegelijk.






Na dit bezoekje was het bijna avond en mijn water was inmiddels op. Ik belde bij het dichtstbijzijnde huis aan en mocht mijn water bijvullen. Binnen no time kreeg ik ook een biertje en wat lekkers aangeboden en voor ik het wist zat ik aan de borrel bij een echtpaar en een vriendin die toevallig ook die dag op de Sint Pietersberg waren geweest. De man deed ook wat onderhoud in de groeve waar ik net was geweest, dus we konden mooi waarnemingen en ideeën uitwisselen. Ondanks alle gezelligheid wilde ik toch graag door, ik had nog meer op het programma staan.
Met wat moeite nam ik afscheid en fietste naar een andere nabijgelegen groeve. Hier zag ik eindelijk de geelbuikvuurpad, weer een heel zeldzame Zuid-Limburgsoort die ik vandaag nog niet gezien had. Onder hout vond ik nog een Alpenwatersalamander en het klein vliegend hert, een vrij grote platte kever met flinke kaken.







Als je dan toch een dag ver van huis bent moet je die ook goed benutten en nadat ik vlak voor sluitingstijd nog even eten had gehaald bij een winkel ging ik naar mijn laatste gebied voor de dag. Daar kwam ik pas laat aan, maar dat mocht de pret niet drukken. De zon was nog niet onder, maar onder het dichte bladerdek was het toch al best duister. Gelukkig had ik een goeie zaklamp mee.
Op deze plek komt als enige plek in Nederland nog de vuursalamander voor. Ik heb de soort al wel in het buitenland gezien, maar nog nooit in Nederland. Dit prachtige monstertje wordt met uitsterven bedreigd door een schimmelziekte die ook makkelijk door mensen verspreid wordt. Het rondstruinen en stammetjes omdraaien doe ik daarom wel op een plek waar het beestje minder zeldzaam en kwetsbaar is in het buitenland, maar de larven kon ik hier wel zien. Deze zitten in delen met weinig stroming in bronbeekjes. Pal naast het pad zijn een paar van deze plekken waar je zonder rare dingen te doen de larven kan zien. Dat was voor mij nu even genoeg. En ze waren er gelukkig. Met mijn zaklamp kon ik ze goed zien. De gele vlekjes op de poten lichtten mooi op. Ik telde er in korte tijd 17. Daarna vond ik het wel goed geweest. Het was bijna donker en ik was doodmoe van de lange dag. Nadat ik foto’s had gemaakt (waar achteraf ook nog een (waarschijnlijk) zeldzame beekvlokreeft op stond) ging ik weer naar mijn fiets en naar het station.



Tijdens de nog lange rit zocht ik alvast een deel van de foto’s uit. Met vereende krachten haalde ik een krappe overstap in Utrecht en was ik ‘al’ om half 1 thuis. Wat een dag, maar wat heb ik genoten!

Geef een reactie op Joke Veltkamp Reactie annuleren