Ik blijf het een fascinerend fenomeen vinden: vogeltrek. Het klinkt ergens wel logisch: jaarlijks is er in de winter minder voedsel te vinden, het wordt koud en daarom trekken vogels weg naar zonniger oorden waar ze wel voldoende eten kunnen vinden. Hoever ze trekken, waarheen en of ze überhaupt vertrekken verschilt sterk per soort en soms zelfs per individu binnen een soort. Denk bijvoorbeeld aan soorten als de ooievaar en de lepelaar: in principe zijn dit vogels die wegtrekken, maar door klimaatverandering blijven er steeds vaker exemplaren in Nederland overwinteren omdat dat ook wel prima is. Of de merel en de roodborst: wij kennen deze als soort die jaarrond in ons land aanwezig is. Echter zijn het er in de winter veel meer omdat exemplaren uit Noord-Europa naar Nederland trekken. Waar sommige vogels ons land verlaten, komen anderen er juist heen voor de winter. Dat maakt het leuk om jaarrond naar vogels te blijven kijken (hoewel andere soortgroepen in de zomer meestal mijn prioriteit hebben). En om nog één grappig voorbeeld uit te lichten: waar vrijwel alle soorten die in ons land voorkomen broeden in het noorden en voor de winter naar het zuiden trekken is dat voor de grauwe pijlstormvogel andersom. Deze zeevogel broedt op het zuidelijk halfrond tijdens onze winter en trekt tijdens onze zomer naar het noordelijk halfrond om te ‘overwinteren’. Tijdens de najaarstrek vliegt hij gewoon met alle zeevogels mee naar het zuiden, alleen voor hem is dit dan de terugreis naar het broedgebied in het zuiden.
En en heb je natuurlijk nog de reis zelf. Voor het voortbestaan van de soort wegen de gevaren van de reis blijkbaar op tegen het voordeel van overwinteren in een ander gebied, maar het is uiteraard een groot risico. De enorme reis kost heel veel energie en veel vogels (met name jonge vogels) overleven de reis niet. Zij halen bijvoorbeeld de overkant van een zeestraat niet, vinden niet voldoende voedsel of raken door de harde najaarswind verdwaald en eindigen als dwaalgast op een plek waar ze helemaal niet hadden willen en moeten zijn. Voor vogelaars een buitenkansje om een zeldzaamheid te bewonderen, voor de vaak jonge vogels die het betreft minder feestelijk.
Op 15 oktober ging ik net als een jaar geleden met een groep vogelaars mee op de Dageraad, een oude vissersboot in Lauwersoog, in de hoop leuke trekvogels op de Noordzee boven Ameland en Schiermonnikoog te zien. Vorig jaar was dit een erg ruige tocht met hoge golven en mooie waarnemingen, dit jaar was de wind wat schappelijker voor landrotten. De matige wind vanuit het zuidwesten veroorzaakte geen hoge golven maar een meer schappelijke deining. Het zonnetje maakte het zelfs best aangenaam op zee.
Kort na vertrek uit Lauwersoog kwam er een grote jager polshoogte nemen of er wat te halen viel bij de meeuwen die achter de boot aan vlogen. Een paar keer kwam hij mooi dichtbij langsvliegen, maar de conclusie was uiteindelijk dat hij beter verder kon zoeken. Wel een heel mooi begin! De verwachtingen waren hooggespannen, zeker omdat er een paar dagen eerder veel leuke zeevogels gezien waren met deze boot.



Echter was de wind niet in ons voordeel en de vogels werden niet gedwongen tot lastige manoeuvres dichtbij de kust. Natuurlijk zagen we wel wat alken, zeekoeten, roodkeelduikers en jan-van-genten. Het blijft wel trektijd op de Noordzee. Maar het spectakel met hoge aantallen en leuke soorten bleef uit. Hoewel het een mooie boottocht was, het weer heerlijk was en de zeeziekte niet massaal toesloeg was het resultaat toch wat teleurstellend.














Na de boottocht vanuit Lauwersoog maakte ik meteen van de gelegenheid gebruik om er een vakantietje aan vast te plakken. Hendrike kwam ook naar Lauwersoog en we pakten de laatste veerboot naar Schiermonnikoog om een paar dagen verder te genieten.
En daar ging de vogeltrek gewoon door. Niet ruig en gunstig voor vogelaars, maar wel gunstig voor enorme aantallen vinken, kepen, merels en koperwieken die aan land arriveerden. Op vrijdag wandelden we een stukje vanaf de Kobbeduinen de kwelder in, waar de koperwieken, graspiepers en veldleeuweriken ons om de oren vlogen. Een jonge blauwe kiekendief was al in Nederland aangekomen voor de overwintering en vloog grote rondes over de kwelder op zoek naar een maaltje.


Op de terugweg naar het dorp zagen we langs de Waddendijk aardig wat tapuiten rondhangen die zich mooi lieten zien. Bij sommige vogels kon ik gewoon met de fiets ernaast stoppen en dan bleven ze geduldig wachten tot ik een plaatje gemaakt had. Erg leuk om ze zo dichtbij te zien!



Op zaterdag 17 oktober waren de omstandigheden meer in ons voordeel. ’s Ochtends stond er een harde wind uit het noorden die de zeevogels boven schuimende koppen naar het eiland dreef. Er werden al leuke waarnemingen gedaan en eigenlijk net te laat gingen we naar het Noordzeestrand. Direct na aankomst zagen we de jan-van-genten al vliegen aan de horizon en er vlogen tientallen dwergmeeuwen voor de kust. Toen we nog geen vijf minuten op het strand stonden, kwam er een groepje van maar liefst vier kleine jagers pal voor het strand langs vliegen. Ik had iets te laat door dat dit niet zomaar bruine meeuwen waren en miste het perfecte moment, maar de foto’s vielen me toch erg mee. Een buitenkansje om deze echte zeevogel van zo dichtbij te zien!


Er volgden meer kleine jagers en jan-van-genten boven de ruige zee en de dwergmeeuwen kwamen tot boven het strand. En dat alles bij een schappelijke 13 graden en een lekker zonnetje. De noordenwind was natuurlijk wel koud. Intussen vermaakten we ons ook met die gezellige drieteenstrandlopertjes die supersnel langs de waterlijn dribbelden. Een heerlijk ochtendje uitwaaien op het strand!








’s Middags draaide de wind meer richting noordoost en dat gaf de zeevogels de wind meer in de rug. Je merkte het verschil meteen: er vlogen minder vogels dicht langs de kust en het werd wat moeilijker om ze vanaf het strand met alleen een verrekijker te zien. We verlieten het strand en fietsten door de duinen naar de Westerplas, waar we vooral eenden zagen. In de bosjes kwamen al veel zangertjes, maar de echt leuke soorten ontbraken. De aantallen koperwieken en vinken waren wel groot en we zagen de eerste barmsijzen.




Op zondag was het nat en guur met een oostenwind en hielden we het bij een weinig enerverend rondje rond de Westerplas, maar maandag was wel weer een mooie dag. De oostenwind bleef en was fris, maar het was wel zonnig en dat maakte het goed te doen voor een lange tocht. We wandelden vanaf de Kobbeduinen door de kwelder richting de Noordzee, waar we het strand en de overgang van duinen en kwelder volgden richting de oostpunt van het eiland.
Het was een prachtige wandeling. Het weer was gunstig voor trekvogels die vanuit het noordoosten moesten aankomen en de oostpunt zat vol met vinken en lijsters. We wandelden eerst door de kwelder en later wisselden we een paar keer tussen de overgang van noordzeeduinen, kwelder en het strand.
Aan zee was weinig te zien. Vogels die de kustlijn wilden volgen hadden vol wind mee en de golven waren schappelijk, dus zeevogels hadden geen noodzaak zich aan de kust te vertonen. Wel liepen er natuurlijk weer drieteenstrandlopertjes op het strand. Het was een rustig deel van het eiland, onbereikbaar voor andere mensen dan wandelaars. Het strand was zelfs zo rustig dat een jong zeehondje er honderden meters op gekropen was om te rusten. Toen hij ons zag ging hij al hopsend zo snel mogelijk naar zee. Toen pas zagen wij hem, want er werd door de harde oostenwind zo veel zand laag over het strand geblazen dat je de onderste laag op grote afstand niet echt kon zien. Door de afstand deed hij nog best lang over de weg naar zee en af en toe moest hij even pauze houden om op adem te komen. Daarin konden we hem mooi zien.





Terug in de duinen zagen we dat de duinen en kwelder richting de oostpunt van het eiland steeds meer in elkaar overliepen. De lage delen waren nat en zilt, met daartussen weer lage duintjes met duindoorn en helm. Het pad viel ook onder het laagste deel van het terrein en was zo nat dat je er meestal naast kon lopen. Eén keer vloog een bokje op van het pad. Dit kleine snipje overwintert bij ons en foerageert graag in plasdrasgebied. Dat zegt ook wel wat dus.

We bereikten de oostpunt van de duinen en kwelder en bleven daar even zitten. We waagden ons niet meer aan de kilometerslange Balg (zandplaat aan het eiland vast), dat zou wat te gek worden. We genoten van de vele vinken, kepen, putters, merels en koperwieken die in de bosjes aankwamen. Regelmatig vloog er een blauwe kiekendief over die op zoek was naar een maaltje. Hoewel we geen zeldzame vogels zagen was het toch een heel spectakel.



De terugweg begon over het strand. Hier aan de oostpunt zagen we de trekvogels ook letterlijk aankomen vanaf zee. Een vink is bepaalt geen zeevogel natuurlijk, maar regelmatig kwamen er groepjes boven de golven tevoorschijn. Een keer kwam er ook een sperwer aan van open zee. Ik kende die eigenlijk helemaal niet als trekvogel, maar daar kwam ik nu ook achter. Ook zo’n soort die hier broedt, maar waarvan de aantallen ’s winters worden aangevuld vanuit Noord-Europa.


De route door de kwelder kozen we op de terugweg wat ongelukkig. Het stuk waar we heen nog over het strand liepen was heel erg nat, dus al snel gaven we het op en gingen parallel door de jonge duintjes lopen. Met de wind in de rug en de zon in het gezicht verliep de terugweg vlot en zo konden we een wandeling van 20 kilometer bijschrijven voor we op de fiets terug naar het dorp stapten.

De wandeling naar de oostpunt was het laatste wapenfeit van onze vakantie op Schier. Op dinsdagochtend stapten we op de boot naar Lauwersoog die ons door de vaargeulen tussen het droogliggende wad richting huis bracht. Vogels waren er veel en we zagen nog een zeehondje op een zandbank liggen, maar verder was het te koud om uitgebreid buiten te kijken. De vakantie was mooi, het was ook wel goed zo.

Geef een reactie