Het voorjaar is tot nu toe nog niet om over naar huis te schrijven. Met warme en zonnige dagen, koude nachten en droogte tot massale bosbranden aan toe was het voor amfibieën en reptielen niet al te best en met ook nog een flinke dip in het weer waren veel libellen extreem laat. Met het warme weer van de afgelopen dagen zijn de aantallen weer wat toegenomen, maar helemaal los is het seizoen nog steeds niet.
Begin mei was het nog sprokkelen naar soorten en vooral aantallen. Waar de afgelopen jaren het seizoen begin mei al goed begonnen was, was het zelfs nog zoeken naar de algemene soorten. Tijdens een lang weekend in de eerste week van mei was ik in de omgeving van Enschede, waar het in het Haaksbergerveen weliswaar prachtig weer was, maar ook nog erg stil. De kikkers kwaakten en de wielewalen zongen dat het een lieve lust was, maar naar libellen was het hard zoeken. Met enkele gevlekte en noordse witsnuitlibellen heb ik de hoogtepunten wel genoemd. Zelfs viervlekken, smaragdlibellen en vuurjuffers waren er slechts in extreem lage aantallen aanwezig. Jammer, maar meer was het niet.


Voor mijn eerste leuke libellenwaarneming moest ik op 4 mei vanuit Enschede naar Groenlo fietsen. Bij de Leemputten waren een dag eerder flinke aantallen uitsluipende sierlijke witsnuitlibellen gemeld. Aangezien ik het larvenhuidje daarvan nog niet had leek me dat wel wat.
Na een mooie fietstocht van bijna anderhalf uur door het grensgebied van Twente, de Achterhoek en Duitsland kwam ik aan in het gebied. Na het bezoek aan het Haaksbergerveen had ik wel zin in een plek met leuke aantallen libellen en ze stelden me gelukkig niet teleur. Nog zonder te zoeken zag ik al enkele kakelverse smaragdlibellen hangen, sommige nog zo vers dat ze het best te herkennen waren aan het larvenhuidje – met twee zwarte bandjes op de zijkant van het borststuk. Ook de eerste sierlijke witsnuitlibel zag ik al snel zitten. Het was een redelijk warme, maar bewolkte dag, waardoor de libellen veel tijd nodig hadden om na het uitsluipen op te drogen en uit te harden voor ze aan hun ‘Jungferflucht’, zoals de Duitsers dat zo mooi noemen, konden beginnen – hun eerste vlucht na het uitsluipen.





Overal waar je keek hingen larvenhuidjes van smaragdlibellen, veelal met hun uitsluiper er nog bij. Aan de oever moest je zelfs goed kijken waar je liep. Soms hingen de uitsluipers laag of was er nog een larve bezig de kant op te wandelen. Honderden waren er, en ik vond ze tot wel tien meter van het water in de planten en struiken. Mijn teleurstelling van het Haaksbergerveen was snel verdwenen. Het was een fantastisch moment om deze vroege libellensoort zo massaal tevoorschijn te zien komen.


Ook de sierlijke witsnuitlibel, waarvoor ik eigenlijk kwam, was flink aan de uitsluip begonnen. Niet zo massaal als de smaragdlibel, maar her en der hingen toch behoorlijk wat larvenhuidjes en ik vond ook meerdere uitsluipers en verse libellen op de oever. Ook van deze soort betrapte ik enkele larven die net de kant op gewandeld waren om uit te gaan sluipen. Zo zag ik zo’n beetje alle stadia van de soort binnen een oogopslag: larve, larvenhuidje en imago.







De larven en hun huidjes zijn spectaculair: vol grote rugdoorns en zijdoorns om predatie door vissen tegen te gaan. Daardoor kunnen ze ook in grote wateren met veel vis goed overleven. Op de onderkant zijn de larven mooi gebandeerd. Dat alles maakt het voor mij één van de mooiste soorten als larve en huidje.





Na het uitgebreid foto’s maken verzamelde ik nog enkele van de massaal aanwezige huidjes op de steile oever om mee naar huis te nemen en daar nog eens de kenmerken goed te fotograferen. Het was een zeldzaam mooi moment aan het begin van een tot dan toe matig libellenseizoen.

Plaats een reactie