Dit najaar is een erg slecht moment om libellen te kijken. Met de langdurige droogte van deze zomer zijn de aantallen extreem laag en zelfs de altijd zo talrijke bruinrode heidelibel heb ik eigenlijk nog maar weinig gezien. Gelukkig was er langs de IJssel bij Zutphen vandaag nog wel wat te beleven.
De rivierrombout is een zeldzame soort in Nederland, specialist van de grote rivieren. Langs de IJssel, Rijn, Waal en Maas komt de soort voor, maar op de meeste plekken in lage dichtheid. En de levenswijze maakt dat hij maar weinig gezien wordt. Waar sommige libellen er een paar uur over doen om weg te vliegen na het uitsluipen, kan een rivierrombout in zo’n 20 minuten het water uit lopen, het larvenhuidje uit kruipen, de vleugels oppompen en wegvliegen. In dat korte moment kan je hem vinden, en de larvenhuidjes blijven achter op het zandstrand. Tijdens zijn eerste vluchten vliegt de verse rivierrombout meteen ver bij het water vandaan, en waar hij dan blijft is niet duidelijk. In de periode dat ze uitharden en foerageren worden ze maar weinig gezien, maar er zijn waarnemingen op tientallen kilometers bij mogelijk voortplantingswater vandaan. Een gat in onze kennis over deze soort.
Na verloop van tijd verschijnt hij weer bij de rivier, maar de territoriale vluchten van het mannetje zijn boven de brede watergangen moeilijk waar te nemen. Tegen het eind van het seizoen wordt het iets makkelijker. Paren en foerageren gebeurt op de oever, en dan kan je ze zien.
Vandaag bezocht ik de IJssel bij Zutphen, een plek waar zowel vorig jaar als dit jaar aardig wat waarnemingen in het najaar waren. Voor mij een mooi buitenkansje, want op een enkel vers dier die ik had betrapt vlak na het uitsluipen had ik deze soort nog niet gezien. Geheimzinnig, moeilijk te vinden.
Op de plek nam ik een onhandige route die veel tijd kostte. Ik dacht zo snel mogelijk bij het water te komen en daarna de rivier te kunnen volgen. Er lag alleen een bosje tot pal tegen de oever, met een steile helling van puin. Tijdens een vakantie in de bergen hoefde ik nog minder geitje te spelen dan tijdens deze route. Maar liefst drie keer moest ik over een draadje heen, ik geloof niet dat ik daar hoorde te komen. Maar terug klauteren zag ik ook niet zitten.
Eenmaal bij de ruigte van de uiterwaarden hoefde ik niet lang te zoeken. Ik nam een veepaadje de uiterwaarden in en er kwam meteen een rivierrombout aanvliegen die naast mij op de grond neerplofte. Dat was wel erg makkelijk. Het beest bleef ook nog eens heel lang op zijn plekje zitten en ik kreeg alle tijd om met mijn macrolens plaatjes te schieten.



Toen hij opvloog zag ik de typische golvende vlucht die ik ook van de plasrombout ken. Omhoog, omlaag, omhoog, omlaag. De rivierrombout maakt nog wat langere, grotere golven dan de plasrombout, en best hoog boven het gras. Een heel typisch patroon, waardoor ik hem van grote afstand kon blijven volgen.
Na deze eerste vond ik nog een aantal. De meeste zaten heel laag in de begroeiing, vaak op koeienpaadjes. Na het opvliegen maakten ze een lange, golvende vlucht waarna ze weer gingen zitten in de begroeiing. Als ik goed zag waar het was kon ik ze goed benaderen en van dichtbij foto’s maken.



Twee keer zag ik ook een vrouwtje, die niet de knots aan het uiteinde van het achterlijf heeft. Ook viel het me op dat die niet zo’n golvende vlucht maakte. Dat was blijkbaar aan de mannetjes voorbehouden.


Los van de rivierrombouten en een handvol paardenbijters was er weinig te beleven in de uiterwaarden. Ook heidelibellen zag ik amper. Toch was mijn dag weer helemaal goed na het zien van deze geheimzinnige, golvende rombouten. Een mooi begin van een zonnig nazomerweekend.

Geef een reactie op Jan-Freerk Kloen Reactie annuleren