Met de eerste zonnige meidagen is het nu het ideale moment om op zoek te gaan naar de eerste libellen van het seizoen. Die soorten hebben veel warmte nodig om actief te zijn, dus pas later dan bijvoorbeeld de reptielen en vlinders komen de eerste libellen tevoorschijn. De allereerste exemplaren worden in de loop van april gezien, maar pas in mei gaat het echt helemaal los. De soorten van ven en veen zijn al vroeg actief. Dit zijn voor een groot deel noordelijke soorten, die in Scandinavië nog heel wat meer kou te verduren krijgen. Begint het hier een beetje op te warmen, dan sluipen ze uit. De meeste soorten van stromend water zijn wat later, net als bijvoorbeeld de heidelibellen en glazenmakers die pas in de loop van de zomer komen.
Het is geen geheim dat ik een enorme liefhebber van veengebieden ben. Het extreme milieu en het onherbergzame spreken mij enorm aan. Sommige stukken zijn totaal ontoegankelijk, geen ruimte voor de mens. En dat heeft wel wat.
Met familiebezoekjes in het prachtige Drenthe knoop ik er regelmatig een bezoek aan een mooi natuurgebied aan vast. En als het dan een prachtige Bevrijdingsdag is, met volop zon, is dat een ideaal moment om het hoogveen te verkennen. Een prachtig soortenrijk gebied, waar het helemaal is losgebarsten met de libellen en vlinders, die vanaf de goed begaanbare paden prachtig te zien zijn.
Ik kwam aan nét voor de zon doorbrak. Het was koud en winderig. Na een minuut of tien brak de zon voorzichtig door en warmde het op de luwe plekjes tussen de boompjes snel op. De grote bladen van de Japanse duizendknoop vormden een snel opwarmend oppervlak, waar de noordse witsnuitlibellen, enkele gevlekte witsnuitlibellen, smaragdlibellen en allerlei juffertjes graag gebruik van maakten. Dan is die invasieve exoot tenminste nog ergens goed voor.




Na een eerste moment van opwarmen barstte helemaal los. In de wind was het rustig, maar in de luwte vlogen er voor elke stap die je zette twee libellen op. Wolken vol smaragdlibellen en noordse witsnuitlibellen zwierven boven de luwe paden.

Op zich al mooi allemaal, maar ik had nog wel een doel openstaan. In dit hoogveen komt de steeds zeldzamer wordende maanwaterjuffer voor. Vroeger een vrij gewone soort op de hoge zandgronden en veengebieden, maar door verdroging, verzuring en opwarming steeds verder teruggedrongen naar slechts enkele gebieden in Nederland. De achteruitgang is ontzettend snel gegaan. Waar ik was komt de soort gelukkig nog voor.
Na enige tijd zoeken was het eindelijk raak. Ik dacht een mannetje te zien vliegen, maar raakte hem kwijt in een windvlaag. Terwijl ik hem terug probeerde te vinden, trof ik twee meter verder een vrouwtje aan. Een klein donker waterjuffertje, met een soort ‘klokje’ in het blauw op het twee na achterste segment. Gelukkig, ze zijn er nog. In een bosrandje in de zon vond ik nog een vrouwtje en ook twee mannetjes. Het mannetje heeft een soort halve maan-symbool op segment 2, waar de soort zijn naam aan dankt. Samen met de twee streepjes die naar voren wijzen vormt de halve maan een droevig gezichtje. Geheel in lijn met de trend van deze soort.




Tijdens het lopen bleef het maar losgaan met de libellen. Viervlekken, smaragdlibellen, noordse witsnuitlibellen, vuurjuffers en watersnuffels vormden de hoofdmoot, maar daarnaast zag ik ook de variabele waterjuffer, azuurwaterjuffer en gevlekte witsnuitlibel. Uiteindelijk begon het ook nog aardig te lopen met de maanwaterjuffers. De dichtheid was laag, maar verspreid over de hele wandeling kwam ik ze wel tegen. Alles bij elkaar toch wel vele tientallen.




Ook andere insecten lieten zich zien. Wat vlinders betreft zag ik meerdere groentjes, citroenvlinders, hooibeestjes en boomblauwtjes. Ook de donkere veenzweefvlieg kwam ik regelmatig tegen, een zeldzame specialist van hoogveengebieden.




In één hoekje waren aardig wat aardbeivlinders actief. De naam komt van zijn waardplant – verschillende aardbeiachtigen – en niet vanwege zijn uiterlijk. Hij is eigenlijk maar saai donkerbruin met witte spikkeltjes. Ga je meer in detail kijken, dan is hij toch wel mooi. Het is het enige spikkeldikkopje van Nederland. Gelukkig maar, want die soorten lijken allemaal heel veel op elkaar. Dit is wel zo overzichtelijk.




In het open veld had de wind vrij spel. De witsnuitlibellen en viervlekken probeerden nog wat tegen de wind in te vliegen, voor juffers is dat geen doen. Achter een randje van pitrus zaten veel watersnuffels, maanwaterjuffers en vuurjuffers verstopt. Een ophoping van de minder sterke vliegers. In alle zonnige, beschutte hoekjes was het een drukte van belang met vooral veel verse libellen die in de luwte uitharden voor ze hun territorium boven het water bij gaan houden en voor nageslacht gaan zorgen. In zo’n hoekje vond ik naast de noordse en gevlekte uiteindelijk ook één venwitsnuitlibel.









Al met al was het een verdraaid productief dagje. Met mijn ringflitser op mijn macrolens om de belichting in de felle zon zelf in de hand te houden heb ik me helemaal uitgeleefd. Ik heb enorm genoten van deze eerste echte libellendag van 2025. Het seizoen is geopend!

Plaats een reactie