Zomers Zweden 4: Ongrijpbare dwergjuffer

Geschreven door

·

Onderwerpen: ,

In deze blogserie schrijf ik alles over de prachtige bossen, meren, hoogvenen en… jawel, noorderlicht! Op deze pagina verschijnen de komende tijd alle blogs over Zweden.


En verder ging onze fietstocht weer. Op 31 juli ging de reis van Rydsnäs via Asby naar Törpon, een groot (schier)eiland in het Sommen. Van vandaag had ik hoge verwachtingen, aangezien er een piepklein veentje op de planning stond waar de zeer zeldzame dwergjuffer voor zou moeten komen. Het begin van de fietstocht viel tegen. Weliswaar zouden de heuvels enigszins meevallen en hadden we wat kleine weggetjes om te volgen gevonden. Alleen bleken die weggetjes, in tegenstelling tot de eerdere fietsdagen, aanzienlijk slechter van kwaliteit. Het fietste erg moeilijk en soms bleek een pad gewoon echt geen optie. Zodra het weer kon namen we de grote weg (vergelijkbaar met een N-weg in Nederland). Niet zo’n drukke, maar toch jammer. Met wederom een omweg vanwege een pad in slechte staat bereikten we het beoogde veentje, waar we de laatste paar honderd meter door het bos moesten struinen om het te bereiken.

Hendrike had wel even genoeg moeras en libellen gezien en ging wat anders doen, terwijl ik mijn hart ging ophalen in een fantastisch mooi gebiedje. Eigenlijk vooral een open plek in het bos met een ven erin, omgeven door prachtige ijle hoogveenbegroeiing. Leefgebied van de dwergjuffer. Het ‘gewone’ spul vloog er genoeg rond. Venglazenmakers, een enkele noordse glazenmaker en gevlekte glanslibellen. Maar de echte zoektocht was naar de dwergjuffer, een superzeldzame juffer die nog niet half zo groot is als de andere juffers.

Plotseling zag ik er eentje. Ik nam een beweging tussen de sprieten waar, stelde scherp en zag een vrouwtje recht onder mij op een sprietje zitten. Een halve tel later kwam er een windvlaag en het beest was spoorloos verdwenen. Omdat ik op hetzelfde moment een mannetje noordse waterjuffer vond, eveneens zeldzaam en bovendien had ik hem nog nooit gezien, ging mijn aandacht daar eerst heen. Er bleken er meer te zitten, ondanks dat het al vrij laat in het seizoen was voor de soort. Ik zag zes mannetjes. Ze hebben best vreemde zwarte tekening, als je de Nederlandse soorten gewend bent. Veel zwart en allerlei puntjes en hoekjes. Een leuke vondst dus. Echt een soort van het hoge noorden.

Toch voelde het als bijvangst, zeker omdat mijn enige dwergjuffer in een half uur zoeken binnen een halve tel ontsnapt was. Het was echt zoeken naar een speld in een hooiberg. De dwergjuffer is half zo lang als een tengere pantserjuffer, groen tot bruin glimmend en héél slank en dun. En dan is het ook niet alsof ze bovenop een spriet gaan zitten en hallo zeggen. Nee, ze blijven vaak in de vegetatie zitten en vliegen soms kleine stukjes tussen de zegges door. Ik begon zo langzamerhand licht wanhopig te worden. Ik had nog altijd geen dwergjuffer teruggevonden en mijn doel was toch echt een foto. Het werd ook wel tijd om terug naar de fietsen te gaan.

En toen zag ik opeens een mannetje in een spriet landen. Vastbesloten om hem niet kwijt te raken maakte ik snel wat plaatjes voor ik mijn telelens zonder mijn blik af te wenden wisselde voor mijn macrolens. Het was niet meer het meest fotogenieke exemplaar zo aan het eind van de vliegtijd. Het mooie metaalgroene van het lijf en de segmenten was al bruin geworden. Maar wat een mooi juffertje. Mijn grootste wenssoort hier in Zweden. Eindelijk gevonden!

Na een heerlijke rustdag op Törpon en een fietsdag naar Ulrika had ik in de buurt van Ulrika weer een veentje in het vizier. Hendrike geloofde het wel en genoot van een heerlijk ochtendje op de camping. Ik fietste 10 kilometer van de route van de dag ervoor terug voor ik rechtsaf sloeg het bos in en nog een stuk omhoog klom over een prachtige bloemrijke kapvlakte vol vlinders. Bij een keerlus hield het begaanbare pad op en er wachtte een pittig potje struinen door het zeer dichte bos vol muggen en spinnenwebben. Met mijn telefoon voor de juiste richting bereikte ik het hoogveen vrij snel, maar ik moest nog vrij diep door de modder om het te bereiken. Even was ik bang dat het water te hoog stond om rond te kunnen lopen, maar gelukkig viel dat mee. Al kon ik op sommige plekken niet te lang blijven staan vanwege wegzakgevaar.

Ook hier was de dwergjuffer mijn doel. Het vorige gebied en dit gebied zijn twee van de weinige gebieden waar de soort voorkomt in Zweden. Maar uiteraard moest ik het eerst even doen met venglazenmakers en noordse glazenmakers. Daar kon ik mijn ogen ook moeilijk vanaf houden. Zo mooie glazenmakers. Om mij heen vlogen ook veel glanslibellen. Vooral gevlekte, maar ik betrapte ook in elk geval één hoogveenglanslibel. Maar die kon ik moeilijk in de gaten houden tussen 20 gevlekte glanslibellen. Ook zag ik zwarte heidelibellen, gewone pantserjuffers en een tengere pantserjuffer. Waterjuffers zag ik niet.

Maar het ging me natuurlijk om de dwergjuffer. Dat was weer lastig. Ze bezetten zo’n specifieke niche dat ze ook in bekende gebieden nog moeilijk te vinden zijn. Dit hoogveen was wat groter dan die van een paar dagen geleden en daarbinnen zitten ze waarschijnlijk maar in een heel klein stukje. Na een boel gezoek, doodlopende routes omdat het echt te gek werd met de waterstand (het leek natter dan gemiddeld) vond ik dan toch twee dwergjuffers. Ik zag er eentje vliegen en landen en terwijl ik die op de foto zette zag ik dat er nog eentje onder zat. Bingo!

Nu had ik dus het stuk met de dwergjuffers gevonden. Daar zocht ik nog even verder en zag ik ook wat mannetjes vliegen. Ze zijn ontzettend moeilijk te volgen omdat ze steeds maar kleine stukjes vliegen en dan weer landen. En eenmaal geland zijn ze helemaal lastig te zien. Maar met wat oefening lukte het me om er eentje vrij lang te volgen en goed op de foto te krijgen. Eén keer verdween het beestje zeer plotseling diep in de vegetatie. Ik snapte niet waar hij nou in één keer heen ging, maar ik vond hem terug, diep in de sprieten. Hij had zich vastgegrepen aan een vrouwtje. Die zou ik nooit gevonden hebben. Mijn bewondering voor deze kleine juffertjes werd met de minuut groter. Uiteindelijk zag ik ongeveer acht dwergjuffers. Geen slechte score voor begin augustus. De hoofdvliegtijd is in juni en begin juli. Allemaal waren ze niet moeders mooiste meer, niet mooi frisgroen. Maar ik was erg tevreden met de buit!

Op de terugweg naar het dorp vond ik niet geheel ontoevallig Hendrike terug. Samen hebben we nog een rondje gelopen door een oud naaldbosreservaat vol met oude bomen, dode bomen, heel veel rotsen, heel veel mos, enorme mierenhopen en heel veel muggen. Het rondje liepen we daarom vrij snel en we waren blij dat we weer bij de weg uitkwamen. Ook al was het nog zo mooi. Langs de weg hebben we nog even vlindertjes gekeken. Die vindt Hendrike leuker dan de libellen. En de bloemrijke wegbermen zijn hier eigenlijk de beste plekken om vlinders te zien. We zagen grote en bosrandparelmoervlinders, keizersmantels, boserebia’s en heideblauwtjes. Op een grindpad zat een rouwmantel heel mooi op ons te wachten.

Na dit korte rondje waren we mooi op tijd terug op de camping om nog even lekker te zwemmen.

Plaats een reactie

Over de auteur

Jan-Freerk Kloen Avatar