In Wageningen heb ik me de afgelopen maand veel beziggehouden met de amfibieëntrek. Ik heb massa’s gewone padden, bruine kikkers en kleine watersalamanders in de stad de weg over geholpen om ze zo goed mogelijk door het verkeer te helpen. De trek van deze gewone soorten is inmiddels aardig aan zijn eind gekomen. Maar gisteravond heb ik in Drenthe een rondje ‘luxe’ paddentrek gedaan.
Het was een grote wens van mij om de knoflookpad te zien te krijgen. Een superzeldzaam padje dat op een aantal plekken in Zuid- en Oost-Nederland voorkomt. Maar dat is een erg lastig padje om te zien te krijgen. Hij komt laat uit winterslaap, is uitsluitend ’s nachts actief en overdag graaft hij zich in in los zand. Waar je andere amfibieënsoorten nog goed kan vinden door hout en stenen op te tillen, is de knoflookpad heel moeilijk te zien. Wel trekt hij net als andere amfibieënsoorten in het voorjaar naar het water, waar hij veel in diepe delen van het water zit en daardoor ook op die plekken lastig te vinden is. Het makkelijkst om het beest te zien te krijgen is tijdens de paddentrek, maar ook dan moet je de omstandigheden mee hebben: pikkedonker, kletsnat en niet te koud. Kortom, geen wonder dat het me tot nu toe nog niet gelukt was.
Gelukkig heb ik een familie met zo nu en dan een traditie en één daarvan is notenschieten in Drenthe. En zo kwam het dat ik met Pasen in Drenthe verzeild geraakt was, vlak bij een gebied waar knoflookpadden voorkomen. In dit gebied loopt een (’s nachts voor verkeer afgesloten) weg, waar de knoflookpadden bij gunstige omstandigheden overheen trekken.
Op Eerste Paasdag was het niet koud en kwam er tegen tien uur ’s avonds een flinke regenbui overtrekken, dus ik stond in de startblokken om naar het gebied te gaan.
Op de heenweg moest ik al een paar keer flink in de remmen voor kikkers die door de regenbui naar buiten gelokt werden en de weg over sprongen: één poelkikker en één bastaardkikker onder andere. Maar daar ging het me natuurlijk niet om, dus voorzichtig reed ik snel door.
Vanaf het begin van het gebied moest ik verder lopen. En terecht. Want amper twee meter voorbij de slagboom zat de eerste knoflookpad. De eerste van de avond, en mijn eerste ooit. Wat was ik blij! En terwijl ik nog wat onhandig bezig was met al mijn zaklampen, hoofdlampen, ringflitser én paraplu om mijn camera soort van droog te houden kon ik het kleine padje prachtig bekijken.



De knoflookpad is eigenlijk een raar beest. Het is een heel kort gebouwd, gedrongen padje, heel dik, een groot hoofd, grote uitpuilende ogen met grote verticale (maar in het donker bijna ronde) pupillen en een heel variabel vlekkenpatroon. Ook hebben ze een variërende hoeveelheid kleine rode puntjes op het lijf. De huid is niet echt wrattig, meer glad als van een kikker met wat kleine wratjes en korte maar heel sterke poten. Daarmee kan hij zich overdag of bij gevaar snel ingraven. En daarmee kan hij toch kikkerachtige sprongen maken. Een enigszins verwarrend beestje dus als je gewend bent altijd een duidelijk onderscheid tussen kikkers en padden te kunnen zien.
Maar we waren natuurlijk nog niet klaar. Eigenlijk pas net begonnen. We liepen verder over de weg en zagen verschillende kleine, nog niet volwassen kikkertjes. Eerst schold ik ze uit voor bruine kikkers, maar na een tijdje kwam ik tot inkeer en zag ik dat het allemaal jonge heikikkers waren. Deze twee lijken ontzettend veel op elkaar, vooral als de voor een heikikker typische lichte rugstreep helemaal of bijna helemaal ontbreekt. Dat hebben ze namelijk niet allemaal, en deze dieren hadden het bijna allemaal niet. Heel verwarrend, maar uiteindelijk door de spitse snuit, grote graafknobbel, enigszins afwijkende kleur en een aantal dieren dat toch wel een rugstreep had wel duidelijk.




Maar het was nog niet gedaan met de leuke soorten. Want terwijl ik helemaal gefocust was op kikkers en padden liep er ook ineens een kamsalamander de weg over. Ik wist niet dat deze hier zat, maar hij was er toch opeens. Terwijl een deel van de knopjes van mijn camera uitviel door de regen kon ik deze ook op de foto krijgen. Dat kostte nog wel moeite, want door het warme en natte weer had het beest het tempo er flink in zitten.

Ook met de knoflookpadden was het nog niet gedaan. We zagen een aantal mannetjes (te herkennen aan een lichte, dikke klier op de bovenkant van de voorpoten) en één vrouwtje dat duidelijk propvol met kikkerdril zat. Omdat de dieren zo op de harde, kale ondergrond niet echt een kant op konden wachtten de meeste lijdzaam af tot ik klaar was met foto’s maken waarna ze hun weg konden vervolgen.












Op de terugweg hoorde ik ook een voor mij toch wel bekend geluidje uit de sloot langs de weg komen. Er zaten een stuk of wat volwassen heikikkers flink te roepen. Echt blauw zoals een paar weken terug waren ze niet, maar wel enigszins paars aangelopen. En mooi te horen.

Het was echt een heel apart gevoel om hier rond te lopen. Zoveel paralellen met de paddentrek in Wageningen: een natte, regenachtige en warme avond en drie soorten amfibieën die de weg over trekken waarvan één kikkersoort, één pad en één salamander. En dan maar in de regen met een zaklamp heen en weer redden, van het ene naar het andere beest. Gelukkig was er wel één verschil met de paddentrek in Wageningen: we waren helemaal alleen in de middle of nowhere. Er was totaal geen verkeer. We konden gewoon rustig rondlopen en rondkijken zonder continu op het verkeer te moeten letten en bang te zijn dat er dieren voor je neus worden platgereden. Een soort paddentrek deluxe.
De eindstand kwam op 9 knoflookpadden, 21 heikikkers en een kamsalamander. En ja, mijn eerste knoflookpad heb ik eindelijk te pakken. Zo’n zeldzame, lastig waar te nemen soort. Het is gelukt!

Geef een reactie op Zyas van der Maat Reactie annuleren