Gisteren heb ik afgerekend met toch een klein schaamsoortje zoals dat heet: een soort die je eigenlijk allang gezien had moeten hebben maar steeds misloopt. Eigenlijk valt het in dit geval bij mij nog wel mee, maar het voelt toch als eindelijk omdat mijn andere twee pogingen ook deze winter waren en jammer genoeg mislukten. Maar zowel op het Dwingelderveld in november als in de Marspolder bij Lienden in januari wilde het niet lukken. In het Dwingelderveld had ik misschien ook niet genoeg geduld om het te verdienen, maar in Lienden heb ik toch echt een dag staan blauwbekken en een stuk of honderd rietgorzen aan te staren om te constateren dat er geen dwerggors tussen zat.
De dwerggors is een zeldzame doortrekker en nog wat zeldzamere overwinteraar in Nederland. Van de zeldzaamheden is het niet eens een heel zeldzame, maar je maakt vooral in het najaar langs de kust kans. En laat ik daar nou niet zo vaak komen. Af en toe duikt er ook wel eens een overwinteraar in het binnenland op, die dan – zo is mijn ervaring tot nu toe – het gezelschap van andere gorzen zoekt. In Lienden vertoefden er zo’n 100 vinken en 100 rietgorzen op een ongemaaid stuk ruigte. En zie hem dan maar eens te vinden.
Gisteren in Drenthe had ik eindelijk geluk. Op weg naar familiebezoek kon ik mooi langs Meppen rijden, waar er de afgelopen dagen een gezien was. Bij aankomst regende het, maar het terrein leende zich ervoor om met een boterhammetje in de auto af te wachten. Het was een kruidenrandje langs een akker, tegen het bos aan. Een ideale plek voor gorzen om te foerageren in de winter zo bleek, want ook hier zaten aardig wat rietgorzen en wat geelgorzen.
Gorzen, en zeker dwerggorzen, zitten graag op de grond. Daar zijn ze door hun schutkleur vrijwel onvindbaar, dus het was even afwachten tot hij aan de rand van de akker in een struik zou komen zitten. Toen de regen op zijn eind was gebeurde dat ook. Een andere vogelaar die niet op zat te letten kon ik er ook nog even blij mee maken. Al vrij snel bleek dat het er niet één maar twee waren: een mannetje en een vrouwtje. Het vrouwtje was nog niet eerder gezien, of niet eerder herkend. Het is ook wel goed opletten met al die rietgorzen.




Beide dwerggorzen lieten zich goed zien. Eerst in de struikjes langs de akkerrand, en later ook even op de grond op de akker. Maar zoals ik al had verwacht: ondanks dat ik precies zag waar ze landden was het nog erg lastig om te zien terwijl ze min of meer over de grond kropen. Eenmaal terug bij de bosrand liet het mannetje zich nog even goed van relatief dichtbij zien in een braamstruik.


Voor mij was de dag goed. Ondanks de regen had ik een mooie waarneming en de ‘vloek’ van de dwerggors was voorbij. En wat was ‘ie mooi. Nou ja, wel erg bruin. Maar de kastanjebruine wangen, fijn strepenpatroon en de naar verhouding grote snavel voor een gors (de snavel is normaal voor een gors, maar de vogel zelf klein) vond ik samen toch een fraai gezicht.

Plaats een reactie