Het voorjaar is tot nu toe prachtig te noemen. Voor de generalistische zonaanbidder in elk geval. Het is pas maart, maar we hebben volop zon gezien en heerlijke warme lentedagen achter de rug. De reptielen zijn volop wakker: ik zag al verschillende adders en de ringslangen hebben de meeste paringskluwens alweer achter de rug. Kortom, wat wil een mens nog meer?
Je hoort me niet snel klagen over mooi weer. Echt niet. Ik heb een hekel aan de Nederlandse winter (precies wel vies en koud weer, precies niet een mooi pakket sneeuw en ijs) kan niet wachten tot in februari de eerste koudbloedige dieren weer tevoorschijn komen om de eerste zonnestralen van het jaar te pakken. Dit jaar heb ik echter wel een iets ander motief dan tot nu toe. Eentje waarvoor ik graag wat regendruppels zou voelen. Het liefst in de nachten.
Voor mijn stage bij RAVON houd ik de paddentrek nauwlettend in de gaten. Ik houd me bezig met Pad uit de Put, een project van RAVON om probleemputten voor amfibieën in kaart te brengen en oplossingen te bedenken. Jaarlijks komen honderdduizenden kikkers, padden en salamanders in het riool terecht doordat ze in putten belanden. Inmiddels is de gewone pad niet meer zo gewoon als hij was, en daarom is dit hét moment om ook de algemene soorten een plaats op de agenda te geven. Mijn taak: in Wageningen de probleemputten opsporen en monitoren, zodat de gemeente maatregelen kan nemen.
De paddentrek vindt aan het begin van het voorjaar plaats, als de amfibieën van hun winterverblijf op het land naar het water trekken om voort te planten. Amfibieën zijn grotendeels nachtactief, waardoor het vooral belangrijk is dat de nachten warm genoeg zijn. Tegenwoordig is dat soms half februari al het geval, waardoor de dieren dan al in de startblokken staan. Dit jaar ging dat anders. Hoewel het voorjaar overdag in al haar hevigheid losbarstte, bleven de nachten helder en koud, vaak zelfs met nachtvorst. In combinatie met een stevige wind en gebrek aan regen buitengewoon slechte omstandigheden voor amfibieën. Slechts een handjevol wist het water in de eerste helft van maart te bereiken. Met de warme dagen werd de druk zelfs zo hoog dat een deel van de padden overdag begon te trekken. Dat is gezien het verkeersbeeld in Nederland een gevaarlijke actie.
Padden in de put heb ik inmiddels ook gevonden. Zelfs met het koude weer kwam ik al een enkeling tegen. Nu we van de meeste nachtvorst af zijn en er heel af en toe een drupje regen valt om de natuur op te frissen belanden er ook meer dieren in putten. Soms op verklaarbare locaties: putten aan het eind van een straat vlak voor het voortplantingswater bijvoorbeeld. Of putten in smalle steegjes waar de dieren tussen twee schuttingen door over de valkuil geleid worden. Toch hoeft het niet altijd duidelijk te zijn. Ook op in eerste instantie willekeurige plekken kom ik dieren in putten tegen. En dat duidt ook meteen het probleem: we hebben veel amfibieën en héél veel putten in ons land.



Hoewel de aantallen nog altijd veel en veel lager liggen dan een jaar geleden in deze tijd, hebben ook veel dieren inmiddels het voortplantingswater weten te bereiken. Het meest in het oog springend is de heikikker. Hoewel deze nauwelijks binnen de bebouwde kom voorkomt en dus minder last heeft van putten op de route, vind ik het toch de moeite waard hem te noemen.
In de paartijd kleuren de mannetjes voor een paar dagen helderblauw. Een spectaculair verschijnsel, hoewel het waarnemen lastig is. Niet alleen is het heel moeilijk het perfecte moment te vinden, ook zijn heikikkers extreem schuw en de meeste duiken onder als je binnen twintig meter afstand komt. Daardoor is het moeilijk ze in vol ornaat van dichtbij te zien te krijgen. Vorig jaar in het Kootwijkerveen lukte het me. Dit jaar deed ik een poging in het Binnenveld, waar ik vorig jaar de soort nieuw voor het gebied ontdekte. Toen hoorde ik één individu en vond ik in de zomer een boel juveniele heikikkertjes. Des te nieuwsgieriger was ik dit jaar naar de voortplantingstijd, nu ik beter wist ik waar ik moest zoeken. En ze waren er. In het gebied is weinig permanent water, maar aan het eind van de winter zijn er genoeg laagtes in het blauwgrasland volgelopen. Daar zaten nu op zes verschillende plekken mannetjes te roepen. Overtuigend blauw waren ze niet, daarvoor was de timing niet goed genoeg. Maar ik was toch blij met mijn waarneming.



Twee dagen later in Drenthe was de timing beter. In een klein veentje bij Anloo kwamen er een hoop ploppende geluiden uit het ven. Met de verrekijker konden we de knalblauwe heikikkers mooi zien.


Ook bruine kikkers kunnen wat blauw aanlopen in de paartijd. Dan worden ze soms verward met heikikkers. Al knorrend liggen ze bovenop de al gelegde kikkerdril en dollen ze wat rond. Ze zijn veel minder schuw dan heikikkers, en daardoor kon ik ze leuk zien afgelopen weekend. Een saai bruin kikkertje kan dan opeens veel mooie details hebben.









De grootste aantallen kikkers en padden zijn inmiddels in het water. Hortend en stotend met veel lange pauzes op de koude en droge momenten. De aantallen liggen nog altijd lager dan vorig jaar tijdens de paddentrek. De omstandigheden zijn gewoon niet goed genoeg. Geleidelijk trekken enkele dieren nog verder, maar een ander deel slaat een jaartje over. Het voorjaar is toch iets te mooi.

Plaats een reactie