In deze blogserie schrijf ik alles over de prachtige bossen, meren, hoogvenen en… jawel, noorderlicht! Op deze pagina verschijnen de komende tijd alle blogs over Zweden.
Op 29 juli stond vanuit het plaatsje Hok een fietstocht naar Aneby op het programma. Nog geen spectaculaire afstand, met de heuvels over grindpaden van gisteren nog in de benen. We besloten bovendien de route wat meer over asfaltwegen te plannen. Iets grotere wegen dus, maar nog steeds rustig. En beter befietsbaar. Toen het tijd werd voor een lunchpauze diende zich nog geen spectaculaire lunchplek aan. De oevers van de meren waren behoorlijk bebouwd en na een tijdje waren we klaar met zoeken en wilden we gewoon eten. Fiets in de goot langs een kleine weg en op een rots gaan zitten dan maar, op een open plekje in het bos. Daar hoefde ik me nog niet te vervelen. Er vlogen veel bruine glazenmakers om ons heen en een enkele venglazenmaker. Voor Hendrike meer aansprekende en vooral ook meer stilzittende kleine vuurvlinder vlak voor onze neus op de bloeiende hei. Toen we net zo’n beetje klaar waren om te gaan plofte er een vrouwtje noordse glazenmaker tegen een dennenstam. Ik kon de camera weer gaan uitpakken.

Tegen het eind van de middag wilde ik graag nog een tussenstop maken in een laagveengebied waar we toevallig langskwamen. Toen we zagen dat er aan de rand van het bos een uitkijktoren stond had ik niks anders meer nodig om Hendrike mee het gebied in te krijgen. Vanaf de toren hadden we prachtig uitzicht over het Barkerydssjön, zoals het Natura 2000-gebied heet. Qua vegetatie deed het me aan de Weerribben denken, maar dan onontgonnen en veel kleiner. We konden de overkant zien, het was ongeveer kilometer in doorsnee denk ik. In het midden liepen wilde zwanen met jongen.

Beneden zag ik libellen langs het water vliegen. Met de verrekijker kon ik er net te weinig van zien, dus ik ging naar beneden en baande me een weg door het rietveen. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan, maar ik kwam bij de waterkant. Of eigenlijk was ik denk ik al op het water. De ondergrond voelde als trilveen (een drijvende veenmat op het water). Bij het water viel de score toch wat tegen met wat algemene soorten als de grote roodoogjuffer, viervlek en metaalglanslibel. Maar op de weg terug door het riet zag ik wel heel mooi een gevlekte glanslibel vliegen en daarna landen. In Zuid-Zweden een heel algemene soort, maar als Nederlander ging mijn hart er toch wat sneller van kloppen.




Maar eenmaal terug op de toren begon het pas echt. Ik hield me bezig met wat rondvliegende venglazenmakers boven ons in de bosrand. De Zweedse vogelaar verliet net de toren en Hendrike ontdekte een eland! Ja, eland nummer twee van deze vakantie. Hij sloop op zo’n honderd meter van ons vandaan van de bosrand naar de jonge berkenboompjes langs het water. We zagen hem een paar tellen heel goed, maar al gauw verdween hij ook weer uit ons zicht. We hebben hem nog gezocht, maar niet kunnen vinden. Het grote beest wist ik zich goed te verstoppen tussen de kleine boompjes.




Daarna was het opeens al laat en de camping nog best ver. Bij een meer gingen we op zoek naar een wildkampeerplek. Na wat mislukte pogingen net te dicht bij huizen of te klein of hobbelig voor de tent vonden we een plekje net iets bij het water vandaan op een verwaarloosd bospad. Daar hebben we gekookt en de tent opgezet. Met enthousiast naar elkaar roepende kraanvogels op de achtergrond konden we lekker gaan slapen.
Op 30 juli werden we na een wilde nacht wakker op ons eigen plekje. Althans, ik hoorde midden in de nacht een wild zwijn vlak bij de tent heel hard krijsen. Hendrike heeft helemaal niks gemerkt en sliep rustig door. We gingen weer door. De eerste helft naar Eksjö ging best makkelijk vergeleken met een dag eerder. De heuvels waren minder steil en ook vaak naar beneden. Bij Eksjö hebben we aan een meertje geluncht en daarna gingen we verder. Daar kwam dan de steile berg waar we al bang voor waren. Langdurig heel steil omhoog. We zijn boven gekomen, maar wel met veel inspanning. Na deze beproeving was het tijd voor een goeie pauze. We sloegen het eerstvolgende meer over bij gebrek aan mooie plekjes en probeerden het volgende meer. Er was geen echt zwemplek, maar al struinend zag Jan-Freerk een stukje terug wat mooie rotsen om te zwemmen. Terwijl we op zoek gingen naar de weg erheen verraadden twee Zweedse mensen een minipaadje in de goeie richting. Wij volgden en kwamen bij een prachtige zwemplek bij de rotsen langs een verder onbebouwd meer. De locals badderden kort en daarna hebben wij nog heerlijk een uur gezeten, gelegen en gezwommen. Aan het eind kwam er ook nog even een parelduiker in zomerkleed mooi langs zwemmen. We hadden hem met zijn rare roep al gehoord, maar nu ook mooi gezien.





Plaats een reactie