Zuid-Limburg geeft mij altijd een lekker buitenlands gevoel. Het prachtige heuvelland, mooi uitzicht, natuurstenen huizen op sommige plekken… En dan natuurlijk de flora en fauna, die meer overeenkomt met die in België en Duitsland dan de rest van Nederland. Vorige week dinsdag vereerde ik samen met Ilse de omgeving van Maastricht met een bezoekje.
Na een stralende dag in Midden-Limburg met mooie waarnemingen langs de Swalm zat de zomer weer helemaal in ons hoofd. Toen we bij de Sint-Pietersberg ten zuiden van Maastricht aankwamen en we eerst bij de auto een bui moesten incasseren viel dat een beetje tegen. Sowieso was het al winderig en tussen de perioden met wolken moesten we soms lang wachten op wat zon. Niet ideaal als je vlinders wilt zien.
De Sint-Pietersberg zit vol met zeldzaamheden die hooguit nog op een paar andere plekken in Zuid-Limburg voorkomen. Zoals bijvoorbeeld en bruin dikkopje, klaverblauwtje, boswitje en dambordje. Van deze soorten zagen we op de parkeerplaats meteen het boswitje al, verder was het nog rustig.

We liepen vanaf de parkeerplaats onderaan de ENCI-groeve naar boven. Hoewel er best wat zandoogjes en boswitjes vlogen, zagen we verder weinig bijzonderheden. De wind en weinige zon maakte het moeilijk om leuke dingen te zien. Toen bij een poeltje de zon even doorbrak vlogen daar wel een paar zuidelijke oeverlibellen rond en de larven van de vroedmeesterpad en alpenwatersalamander zaten lekker te zonnen in het ondiepe water. op de kalkrijke rotsen bloeiden het geel zonneroosje en de malrove.



Doordat Ilse en ik allebei de planten in het gebied eerder al zo’n beetje gezien hadden konden we bij gebrek aan vlinders vlot doorlopen. We liepen het rondje om de groeve heen. Bij het uitzichtpunt over de groeve konden we eerst geen oehoe vinden, maar door goed speuren op de rotswand zag ik er na een tijdje toch eentje een beetje in een hoekje zitten. Lekker aan het dutten.

Nadat we een op het asfalt opwarmende zuidelijke oeverlibel op de foto hadden gezet daalden we met de trap af in de ENCI-groeve. In de luwte en in de zon was het lekker warm en de watersnuffels, vuurlibellen en boswitjes vlogen lekker rond. De bruinrode wespenorchis die we zochten vonden we ook, maar die waren helaas al uitgebloeid. We eindigden in Chalet d’n Observant voor een Limburgse vlaai met cappuccino. Toen we tien tellen binnen zaten barstte er een enorme bui los waarvan we dachten dat hij ten oosten van ons langs zou trekken.


Een stuk abrikozenvlaai en een cappuccino later regende het nog steeds, maar over een uur zou het weer droog worden. We vulden de tijd met een klein extra rondje door de heuvels voor we nog twee oude groeves bezochten. De zon brak weer door en de vlindertjes vlogen volop. We zagen vooral algemene soorten, maar ook het geelsprietdikkopje vloog er rond.


Wat wel erg leuk was, was dat er heel veel kleine geelbuikvuurpadjes rondliepen. Het waren nét geen kikkervisjes meer. Ze waren heel klein nog.

De geelbuikvuurpad is een echte Zuid-Limburgse zeldzaamheid, die in Nederland het noordpuntje van zijn areaal bereikt. Eigenlijk is het helemaal geen kritische soort. Het enige wat hij wil is warmte en een klein, niet of nauwelijks begroeid poeltje dat snel opwarmt en waar de larven in korte tijd kunnen ontwikkelen. Vroeger leefden ze in Limburg veel in drinkpoelen voor vee en karrensporen waar water in bleef staan, maar die zijn er inmiddels weinig meer te vinden. Daarom worden er in geschikt leefgebied voor deze soort speciaal betonpoelen aangelegd en ‘karrensporen’ uitgegraven. Een echt pioniershabitat. De eveneens zeldzame vroedmeesterpad profiteert mee. De larven van beide soorten leven vaak in dezelfde poeltjes.
Behalve de vele jonge padjes dobberden er in de poeltjes ook volwassen geelbuikvuurpadden rond. Mooi waren de poeltjes zeker niet. Erg troebel en vrijwel zonder planten. Maar de padjes zijn er blij mee. Die genoten van het late middagzonnetje na de buien en trokken zich erg weinig van ons aan. Dat leverde erg mooie plaatjes op. Enkele beesten die het helemaal hoog in de bol kregen begonnen zelfs eventjes te roepen: oeh, oeh, oeh. Ook hoorden we soms een fluittoontje van een vroedmeesterpad, verborgen in een holletje of tussen de stenen. Van die soort zagen we alleen maar larven.







Dat was een erg mooi einde van een verder wat soorten betreft enigszins tegenvallende dag. Voor Limburg dan, eigenlijk hebben we nog best veel moois gezien. Alleen onze verwachtingen waren te hoog. De geelbuikvuurpadjes waren fantastisch. We konden dik tevreden weer naar huis.

Plaats een reactie